Het is al even geleden dat ik een conferentie bijwoonde over mediawijsheid. Niet dat het thema me niet meer bezighield, integendeel, maar de afgelopen jaren was ik vooral gefocust op mijn overstap naar het onderwijs. Des te mooier was het dat de conferentie (V)MBO Mediawijs van 7 februari 2019 twee thema’s verbond die me na aan het hart liggen: mediawijsheid en docentprofessionalisering. De organisatie was dan ook in handen van het Practoraat Mediawijsheid, dat zich ten doel stelt om mediawijsheid te integreren in het curriculum van het beroepsonderwijs en dat docenten stimuleert om zelf mediawijs onderwijs te ontwikkelen.

Le(sge)ven in media

Keynote-spreker was Mark Deuze, hoogleraar mediastudies aan de Universiteit van Amsterdam. Volgens Deuze leven we niet met, maar in media. Media zijn zo alomtegenwoordig, zo allesbepalend voor ons denken en handelen, dat we ze niet meer los kunnen zien van ons eigen bestaan. Deuze: “Als we over media praten als iets waar we iets mee moeten doen, dan plaatsen we ze buiten onszelf. Hebben we het over ‘leven in media’, dan gaat het onszelf aan, keuzes die wij zelf maken.”Daarmee vinden we ook een verklaring voor de aantrekkingskracht die mobieltjes op onze studenten hebben. Als docent kan ik het onbeschoft vinden als een student meteen naar zijn mobiel grijpt zodra er een appje binnenkomt, ook al ben ik op dat moment juist bezig een vraag van hem te beantwoorden. Voor mijn student is het echter vanzelfsprekend dat het online signaal voorrang krijgt: het is zijn voedingsbron.

De algoritmisering van informatie kan reden zijn om ons zorgen te maken dat onze leerlingen en studenten via (social) media alleen nog maar omgaan met vrienden of gelijkgezinden en dus niet meer leren om zich open te stellen voor de ander of het andere. Deuze relativeert dit idee: “Media zorgen dat we in onze filterbubbel kunnen blijven, maar ze kunnen ons daar ook uittrekken.” Immers, media verschaffen ons juist ook toegang tot informatie en contacten die we misschien niet uit onszelf zouden opzoeken, maar die ons wel verrijken. Hij voegt daar echter, terecht, aan toe dat dit niet voor iedereen in gelijke mate het geval is. We zien dat onze studenten allemaal soortgelijke devices hebben, maar we zien niet wat ze daarop doen. Veel studenten zullen – gevoelig als ze zijn voor peer pressure – veelal dezelfde filmpjes delen en met elkaar in contact staan. Tegelijk zijn er ook mensen die achterblijven, of die onderwerp van gesprek zijn, zonder dat ze daar zelf weet van hebben. Dit laatste kan overigens ook voor ons docenten gelden; niet voor niets heeft Kennisnet richtlijnen opgesteld om incidenten te voorkomen. Maar bovenal: waar de een voordeel haalt uit zijn mediagebruik, bijvoorbeeld omdat hij kritisch omgaat met diverse informatiebronnen en een breed netwerk opbouwt, kan de ander zich verliezen in de veelheid aan informatie en contactmomenten, zonder zich bewust te zijn van de krachten die van invloed zijn op wat hij denkt en doet. 

Begripsverwarring: het ene medium is het andere niet

Tijdens de conferentie ging het voornamelijk om de communicatiemiddelen die we gebruiken om informatie uit te wisselen of om met elkaar contact te hebben. Deuze noemde zelf al als voorbeeld dat zijn studenten eigenlijk niet doorhebben dat als zij met hun mobiel in de weer zijn, ze ‘media gebruiken.’  Dan, zegt Deuze, is het ook moeilijk om het gesprek aan te gaan over ‘media.’ ‘Media’ is een containerbegrip dat in veel verschillende contexten verschillende betekenissen heeft. Daardoor ontstaat geregeld begripsverwarring. Zo hoorde ik mensen het geregeld hebben over ‘media maken’. Wat maken ze dan eigenlijk? Een radio, een smartboard? Uiteraard niet. In feite wordt met ‘media maken’ bedoeld dat men content maakt en daarbij gebruik maakt van media (in de betekenis van communicatiemiddelen).
In discussies over journalistiek waarin de vraag wordt gesteld of ‘de media’ nog wel te vertrouwen zijn, bedoelen we evenmin de technologie, maar de afzenders van media-inhouden.
Met ‘mediamakers’ doelen we meestal niet op bedrijven die communicatiemiddelen of technologieën fabriceren, maar op de (mensen in) bedrijven die publicaties uitgeven of video’s, games of apps produceren. Uiteindelijk gaat het om wat gezegd wordt, door wie, waar, wanneer en hoe.
Overigens zijn er nog altijd mensen die het over ‘de media’ in enkelvoud hebben. “De media is fout,” zeggen ze, of “Media is overal.” Het lijkt een onschuldige spreekfout, maar impliciet ligt hierin de gedachte besloten dat men ‘de media’ ziet als een samenhangend en (tegen ons) samenspannend geheel, in plaats van te erkennen dat het begrip een verzamelnaam is voor een veelheid aan diverse afzenders en technologieën.

Mobielloze momenten

In plaats van voor zoete koek aan te nemen wat we via media krijgen voorgeschoteld, moeten we zorgen voor een gezond mediadieet. Daar ligt een taak voor docenten: enerzijds moeten we ons bewust zijn van de impact van media op veranderende communicatiestijlen van onze leerlingen en studenten. Anderzijds is het aan ons is om hen te helpen te schakelen tussen die stijlen en tussen school en vrienden. Tijdens de sessie van Rob Leurs en Sanne Sprenger was aandacht voor de worsteling van docenten met mobieltjes in het onderwijs. Leurs had het afgelopen jaar in de Volkskrant betoogd dat docenten slimmer kunnen en moeten omgaan met het inzetten van mobieltjes in het onderwijs en betoogde. Daar wisten de aanwezige docenten alles van: ze gaven elkaar allerlei voorbeelden van hoe zij mobieltjes in hun lessen inzetten als educatieve tool.
Echter, ze wilden liever weten hoe ze er voor kunnen zorgen dat hun leerlingen en studenten hun mobiel aan de kant leggen en houden. Want een mobieltje in de hand leidt af van de uitleg van de docent en vormt soms zelfs een serieus obstakel – zoals bij het lassen van staal, het injecteren van patiënten, het bakken van een rosé biefstuk. Hier kwam helaas geen ander antwoord op dan dat we moesten accepteren dat voor jongeren media veel belangrijker zijn geworden. De docent, leek de strekking, moet zich aanpassen aan de leerling in plaats van de leerling leren zich aan te passen aan zijn omgeving.

Sprenger, die zelf een achtergrond heeft als documentairemaker, liet zien hoe jongeren mediawijs kunnen worden door ‘het maken van media‘. Het kan het zeker nuttig en leerzaam zijn om een mediaproductie te maken wanneer het doel ook is om een mediaproductie te maken. Ik heb zelf meegewerkt aan soortgelijke initiatieven en daar sta ik nog steeds achter. Dergelijke opdrachten lenen zich goed voor (een combinatie van) Nederlands en Burgerschap.
Daarbij moet dan wel aangetekend worden dat in die gevallen het doel van de opdracht is dat leerlingen/studenten leren wat erbij komt kijken om naast de technologie (apparatuur, licht, camerastandpunten) ook de communicatieve en informatieve aspecten (hoe formuleer je een boodschap, hoe kies je je bronnen en waarom, voor wie maak je je productie etc) te beheersen.
Maar als je docent Zorg en Welzijn bent en je wilt je studenten leren hoe ze bij patiënten moeten injecteren, dan zijn camerastandpunten minder belangrijk dan het correct hanteren van de injectienaald en (het contact met) de patiënt. Vanzelfsprekend kun je studenten de opdracht geven om zelf een voorlichtingsvideo te maken over injecties. Maar dan ga je lesdoelen mixen en dan loop je ook het risico dat de studenten teveel gaan focussen op de media-aspecten en te weinig op de lesstof. Of dat ze een incorrecte uitleg gaan geven en die stof dus verkeerd begrijpen. Daar kun je natuurlijk feedback op geven, maar dan is intussen de onjuiste uitleg al geïnternaliseerd. Mediawijs onderwijs bieden is dus vooral een kwestie van balanceren: enerzijds leerlingen en studenten leren verstandig met media, waaronder hun mobiel, om te gaan, anderzijds ook mobielloze momenten creëren.

Mediawijsheidmythes

Tijdens de conferentie passeerden nog diverse wonderlijke uitspraken de revue, die ook direct naar het rijk der onderwijs- en mediawijsheidmythes konden worden verwezen:

  • ‘Jongeren zijn mediawijzer dan ouderen, omdat ze al veel actiever zijn met media’
    En in dezelfde categorie: ‘Docenten zijn regisseur van media-experts.’
    Daar zijn ze weer: de zogenaamde digital natives van Marc Prensky.
    Maar helaas: dat iemand iets veel doet, wil niet zeggen dat hij/zij ook weet wat hij doet of dat hij daar goed in is. Sterker: de wijze waarop jongeren massaal allerlei gratis diensten gebruiken en ongelezen algemene voorwaarden accepteren die niet in hun belang zijn, laat vooral zien dat ze ‘digital naives’ zijn. 
  • ‘Social media zijn niet sociaal, het zijn asociale media’. 
    Neen, de mensen die social media platforms gebruiken én die dat doen om asociale berichten de wereld in te slingeren, dié zijn asociaal. 
  • ‘Jongeren leren zichzelf wel een beroep, daar hebben ze geen school voor nodig’ 
    Pardon?! Ok, er zijn Ben Woldrings en Boyan Slats die mogelijk van huis ook voldoende bagage en ondersteuning krijgen om lucratieve ideeën te verzilveren. En zeker, jongeren kunnen veel van elkaar leren, zoals ook volwassenen veel van jongeren kunnen leren. Maar verreweg de meeste jongeren weten nog niet wat ze nog niet weten of wat ze zouden moeten weten om goed te functioneren in de samenleving. Van het gros van de adolescenten is het brein nog dermate in ontwikkeling dat aan hen structuur en kennis moeten worden aangereikt, door volwassen mensen die didactisch en pedagogisch bekwaam zijn. 

Lerende docenten zijn experts

Gelukkig zaten er veel van die bekwame docenten in de zaal: kritische en kundige onderwijsprofessionals die er ook blijk van gaven goed op de hoogte te zijn. Docenten die zelf al veelvuldig werken met moderne media. Die bereid zijn om te leren en samen met collega’s en hun ervaringen te delen. Toen ik voor netwerkbijeenkomsten organiseerde voor lerende scholen, merkte ik dat veel docenten nog te bescheiden zijn over hun eigen kunnen. Zij zien zichzelf niet als expert. Een teamleider die voor ons een voorbeeldfunctie had omdat ze samen met haar team werk maakte van de school als lerende organisatie, zei me destijds: ‘Ik zie mezelf niet als voorbeeld, ik ben nog aan het leren.’ Volgens mij was zij – net als de mensen die bij deze conferentie waren – juist expert omdat ze leert, omdat ze haar repertoire dagelijks verrijkt en daarover het gesprek aangaat met collega’s. Ik hoop dan ook dat het practoraat een dergelijke conferentie jaarlijks organiseert en dat dan steeds vaker docenten zijn die het podium mogen beklimmen. Zodat zij elkaar kunnen vertellen welke nieuwe concepten zij in hun lessen hebben toegepast, elkaar daarop feedback kunnen geven, elkaar kunnen inspireren. 

Verder met mediawijsheid in het (v)mbo

Hoe kunnen docenten in het beroepsonderwijs intussen verder invulling geven aan mediawijsheid? Allereerst is goed te beseffen dat er al veel gebeurt. Een blik op de site van het practoraat laat bijvoorbeeld al een flink aantal lessuggesties zien die zijn ontwikkeld en worden gegeven door docenten. Wie daarvoor ruimte weet te maken in zijn lesprogramma, kan daar dus nu al mee aan de slag.
Toch heeft dit nog een wat vrijblijvend karakter. Voor echt mediawijs onderwijs is structurele inbedding in het curriculum nodig. Dat kan op de volgende manieren:

  • Focus niet op de technologie, maar op de inhoud. De communicatiemiddelen en -kanalen die we gebruiken vergemakkelijken en veranderen de wijze waarop we met elkaar in contact komen. Daarom is het wel degelijk interessant ons te verdiepen in de impact van technologie. Maar om ons bewust te zijn van die impact moeten we niet alleen kijken naar de technologie, maar naar hoe we media gebruiken. Dat mediagebruik is zichtbaar in de inhoud die we produceren en delen. Als we dus willen begrijpen hoe we (anders dan voorheen) communiceren, hoe we bepalen welke informatie we betrouwbaar achten, welke online campagnes ons stimuleren tot participatie, dan moeten we ons dus juist richten op de inhoud en de afzenders daarvan. 
  • Verbind mediawijsheid aan taal en burgerschap. Mediawijsheid is een mentaliteit, een grondhouding die we bereiken door actief, kritisch en bewust met media om te gaan – en ook te beseffen dat die media ons denken en handelen beïnvloeden. Het gaat dus ook over hoe we ons als burger gedragen. Welk communicatiemiddel we ook gebruiken, we bedienen ons van taal om onze boodschap over te brengen. Meer aandacht voor hoe we taal in verschillende contexten en kanalen gebruiken, draagt bij aan een een beter besef van hoe media werken en een beter gesprek over hoe wij media gebruiken om actief in de samenleving te participeren.    
  • Integreer mediawijsheid in de beroepsvakken. In het verlengde van Deuze’s opvatting dat we leven in media en media dus alomtegenwoordig zijn, is het juist zinvol om het een plek te geven in alle vakken. Maak er geen aparte discipline of een kortstondig project van, maar verwerk de toepassing van media en het kritisch beoordelen van media-inhouden in zowel de generieke als de beroepsvakken. Je kunt heel goed leerlingen en studenten die een horeca-opleiding (gaan) volgen, foodvlogs laten bekijken of ze deze zelf laten maken: laat ze verschillende opvattingen over gezonde diëten (en de wijze waarop deze aan populariteit winnen) vergelijken, laat ze duiken in het fenomeen van product placement en wat dit betekent voor de betrouwbaarheid van de aanbeveling van de vlogger, enzovoort. Laat studenten Zorg en Welzijn argumenten van voor- en tegenstanders van vaccinatieprogramma’s analyseren en op basis daarvan een gesprek met een twijfelende moeder voorbereiden.

    Mogelijkheden te over. Nu is het zaak dat docenten(teams) hiervoor de tijd en de ruimte krijgen. Dan kunnen zij tegelijkertijd een mediawijs curriculum en hun eigen expertise ontwikkelen.

Meer lezen


Conferentie (V)MBO Mediawijs
Facebooktwitterpinterestlinkedintumblrmail
Getagd op:                                    

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *