Precies een jaar geleden werd het klaslokaal opeens vervangen door Google Meet, Microsoft Teams of Zoom en gingen leerlingen en studenten niet meer naar school, maar kwam hun leraar bij hen thuis, via het scherm. Daarmee veranderde de manier waarop leraren lesgeven en waarop leerlingen en studenten leren – in sommige gevallen ingrijpend, in andere juist niet ingrijpend genoeg.

In dit blog bespreek ik hoe we in veel opzichten nog zijn blijven hangen in een soort tussenruimte (tussen fysiek en online onderwijs in), en dat dit niet helpt om de stap te maken naar duurzaam en doordacht blended onderwijs. Vergeef me overigens het vele gebruik van Engelstalige begrippen; sommige uitspraken en vaste uitdrukkingen blijven in vertaling niet overeind.

De virtual classroom als horseless carriage

Veel onderwijsbeleidsmakers, maar ook sommige docenten, lijken te denken dat we als gevolg van corona de stap hebben gemaakt naar blended onderwijs: een vorm van onderwijs waarbij sprake is van een – doordachte – mix van online en offline les en synchrone en asynchrone leeractiviteiten.
Dat is echter lang nog niet overal het geval. Lector Teaching, Learning and Technology Nynke Bos stelt in ScienceGuide dat verreweg de meeste leraren in het hoger onderwijs nog verkeren in het stadium van emergency remote teaching. Het is aannemelijk dat dit ook geldt voor leraren in de andere sectoren. Zij hebben het lesprogramma verplaatst naar de online omgeving, maar hebben het nog niet volledig aan de nieuwe omstandigheden aangepast – hebben dat nog niet kunnen doen. Daar zijn verschillende redenen voor. Tijdgebrek, onvoldoende (bij)scholing en soms ook weerstand.

Je zou kunnen zeggen dat sprake is van het horseless carriage syndroom, een begrip dat mediawetenschapper Marshall McLuhan in 1964 introduceerde voor het fenomeen dat wanneer zich een nieuw medium of een nieuwe technologie aandient, men die vooral gebruikt voor oude toepassingen. Ook in de benaming voor nieuwe technologieën houdt men nog vast aan het oude en beschrijft men het nieuwe met begrippen die aanduiden wat dat nieuwe vooral niet meer is. Zo heette aan het begin van de vorige eeuw de eerste auto nog geen auto, maar een koets zonder paarden (horseless carriage), en was radio nog geen radio, maar transmissie zonder kabels (wireless). Anno 2021 zien we die hang naar het ‘oude’ ook terug: we hebben het over een virtual classroom terwijl er in de online lessen in feite geen klaslokaal aan te pas komt.

Media en technologie doen ertoe, maar het gaat om wat je ermee doet

Toen ik in 2011 nog maar net actief was op Twitter, stuitte ik op een discussie over de impact van nieuwe technologie op het onderwijs. Er waren grofweg twee groepen gespreksdeelnemers: de eerste wees op de mogelijkheden om met behulp van technologie het onderwijs te verbeteren en de tweede waarschuwde juist voor het verlies aan kwaliteit als gevolg van de inzet van ict. Om de discussie te verluchtigen gebruikte men de analogie van het potlood: ‘You know what I hate about pencils? They always break. And good luck finding a pencil technician!’
Op Twitter werd de hashtag #pencilchat populair en dook deze een paar jaar later weer op voor een vergelijkbare discussie. Edtech-kenner Audrey Watters legt hier uit waarom #pencilchat zo’n goede metafoor is: het laat zien hoe frustrerend de introductie van nieuwe technologie voor leraren kan zijn. Ook nu een groot deel van ons onderwijs is verplaatst naar het digitale domein, zien we weer veel berichten over de angst voor dalende onderwijskwaliteit.  

In het boek How learning happens drukken onderwijswetenschapper Paul Kirschner en docent Carl Hendrick docenten dan ook op het hart: ‘The medium is not the message’. Hiermee grijpen ze terug op de bewering die de eerdergenoemde Marshall McLuhan in 1967 deed:’ the medium is the message’. Volgens McLuhan had het medium (of dat nu het kanaal, de drager of de zender van informatie was) dusdanig veel impact op datgene wat wordt gecommuniceerd, dat het belangrijker is dan de boodschap zelf. Naar deze opvatting wordt nog steeds veel verwezen wanneer het over communicatie of mediawijsheid gaat.
Kirschner en Hendrick willen met dat idee afrekenen, omdat zij veel meer waarde toekennen aan de rol van de leraar en de wijze waarop zij haar onderwijs vormgeeft: ‘It’s the instruction [i.e method] and not the carrier of that instruction [i.e. the medium] that leads to a learning effect.’

Toch erkennen de auteurs in dit hoofdstuk dat media (onderwijstechnologieën) steeds vaker worden ingezet in het onderwijs en adviseren zij docenten om ervoor te zorgen dat ze weten wat de eigenschappen zijn van de diverse media en wat de beste educatieve toepassingen zijn. Anders gezegd: je kunt media en technologie niet zomaar toepassen, je moet wel je best doen om je de toepassing en werking ervan eigen te maken.
Als je dat doordacht doet, kom je er achter dat alleen al de keuze voor een tool van invloed kan zijn op je gehele lesopbouw en -aanpak. Het is niet zo dat je eerst je didactische en pedagogische aanpak bepaalt en daarna kiest welke tool daarbij past. Die afwegingen grijpen allemaal op elkaar in (Petra Fisser en Joke Voogt leggen dit uit met behulp van het TPaCK-model). De docent blijft degene die bepaalt welk gereedschap zij hoe gebruikt, maar het gereedschap noopt soms tot andere keuzes. The medium may not be the message, but it still matters.

Een andere manier van lesgeven

Een voorbeeld. Als je docenten spreekt over online lessen, hoor je 9 van de 10 keer de verzuchting dat zij ervan balen dat ze geen contact meer kunnen maken. Dit ligt volgens hen meestal aan het feit dat leerlingen of studenten hun camera uit houden – ook als de regel is dat die aan moet staan. Uitgaand van het horseless carriage syndroom is het niet verwonderlijk dat ze hier moeite mee hebben. Veel docenten die hun lessen via het scherm zijn gaan verzorgen, hanteren immers nog de methodes van het klaslokaal en merken dat die online niet werken: oogcontact maken, aan houding en gedrag aflezen of men de uitleg begrijpt, de groepsdynamiek aanvoelen. Ook houden ze vast aan het gegeven dat studenten en leerlingen zich moeten houden aan schoolregels: in het klaslokaal doe je je pet af en jas uit, eet en drink je niet tijdens de les, liggen je spullen op je bureau.  

Ze hebben nog niet de stap gemaakt naar andere manieren van contact organiseren in de online les (dat kan wel, maar het vraagt slim gebruik van de functionaliteiten en een andere lesopzet). Of ze staan er niet bij stil dat het voor leerlingen en studenten heel vreemd kan voelen dat regels die voorheen in het schoolgebouw golden, nu ook worden opgelegd aan de thuissituatie. Mijn tip: betracht liever redelijkheid dan regels.
Van doordacht blended onderwijs is sprake als het onderwijs opnieuw ontworpen wordt, met de mix van online en offline leeractiviteiten als uitgangspunt. Dat houdt ook een verschuiving in naar bredere, institutionele implementatie en adoptie van blended learning als geheel, zo stelt Barend Last, blended learning specialist bij de Universiteit Maastricht.

Dat die transitie nog niet is gemaakt, is niet de schuld van de leraren zelf. Zij hebben of krijgen simpelweg te weinig tijd om zich hiervoor goed bij of om te scholen. Veel van de trainingen die wel worden geboden, zijn er overwegend op gericht om programma’s of online werkvormen onder de knie krijgen. Investeringen in die institutionele aanpak blijven uit, mogelijk omdat een toekomstbestendige onderwijsvisie ontbreekt, of omdat men ervan uitgaat dat deze situatie van voorbijgaande aard is. Het is echter niet realistisch te denken dat we teruggaan naar het oude, want ook post-corona zal sprake zijn van technology enhanced learning. Dan helpt het niet om te blijven denken in termen van virtual classrooms; ga niet uit van wat online onderwijs niet (meer) is, maar van wat het biedt en wat het vraagt van de gebruikers.

De huidige vorm van online onderwijs vraagt te veel van leraren zonder dat ze het gevoel hebben dat hun leerlingen of studenten er veel beter van worden. Ze zijn er in ieder geval niet blij mee. ‘Hier heb ik niet voor getekend,’ hoor ik collega’s geregeld verzuchten. Laten we dus van de nood een deugd maken en de stap zetten naar doordacht blended onderwijs. Dat gaat niet over een nacht ijs, maar kan er wel voor zorgen dat docenten weer blij worden van hun vak. En dat is geen luxe, maar pure noodzaak.

Meer lezen

Paul Kirschner and Carl Hendrick – How Learning Happens. Seminal Works in Educational Psychology and What They Mean in Practice. London/NY: Routledge, 2020

Marshall McLuhan en Quentin Fiore– Understanding Media. The Extensions of Man.  MIT Press, 1994

Marshall McLuhan – The Medium is the Massage. Penguin Books, 1967 (spelfout overgenomen)

Fifi Schwarz – De digitaal competente docent


Van emergency remote naar echt blended teaching
Facebooktwitterpinterestlinkedintumblrmail

2 gedachten over “Van emergency remote naar echt blended teaching

    • 3 mei 2021 om 14:38
      Permalink

      Dag Sander,
      Dank! Ook jouw blog is leuk. Fijn dat je inzoomt op het belang van samenwerken. Voor een goede overstap naar ‘online’ – en op de langere termijn, blended – onderwijs is goede afstemming met collega’s erg belangrijk. Niet alleen wat betreft het uitwisselen van werkvormen of tools, maar ook (juist) ook afspraken over hoe je het onderwijs inricht en voor studenten structuur biedt. Veel succes met het vervolg!

      Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *