Boekomslag David Graeber and David Wengrow - The Dawn of Everything. A New History of Humanity

Weer een geschiedenisboek? Weten we niet allang wat er in het verleden gebeurd is? Moeten we niet liever vooruit kijken?
Nou: ja, nee, en deels.
In deze bespreking leg ik uit waarom het uitermate zinvol (en leuk!) is om dit boek te lezen, ook als je je kostbare tijd liever steekt in het heden of de toekomst.

Van de Nederlandse achterflap

‘Het begin van alles is een revolutionaire herziening van de geschiedenis van de mensheid. Het neemt je mee op een duizelingwekkende en meeslepende rit die 30.000 jaar en de hele planeet omspant.
Antropoloog David Graeber en archeoloog David Wengrow tonen aan dat het gangbare verhaal over het ontstaan van de mensheid – denk aan de boeken van Steven Pinker, Jared Diamond en Yuval Noah Harari – niet klopt. Ze beschrijven prehistorische megasteden, onontdekte matriarchaten, landbouwweigeraars en andere verrassende samenlevingen die ons huidige beeld van de geschiedenis onherroepelijk doen kantelen.
Deze internationale bestseller rekent definitief af met oude beperkende mythen die ons wereldbeeld tekortdoen. De geschiedenis laat zien dat ongelijkheid en discriminatie niet ingebakken hoeven te zitten in een complexe samenleving. Als we dit idee loslaten, kunnen we met meer inventiviteit en daadkracht onze huidige samenleving inrichten. Het is hoog tijd voor een nieuwe blik op de mensheid.’

Geschiedenisherschrijving

De belangrijkste conclusie van The Dawn of Everything is voor mij niet zozeer dat het een herschreven geschiedenis is, maar dat het gaat om het herschrijven en heroverwegen van historische verhalen – en in het verlengde daarvan, eigenlijk van elk verhaal. Graeber en Wengrow betwisten het werk van andere historici en sociologen die een deterministische en teleologische kijk op de geschiedenis lijken te hebben. Daarbij is het uitgangspunt dat primitieve samenlevingen zich volgens een progressieve tijdlijn hebben ontwikkeld tot beschavingen, en dat ze hun vooruitgang te danken hebben aan Europese kolonisten. De auteurs wijzen er duidelijk op dat een dergelijke Eurocentrische blik op de wereld uitermate gebrekkig is: historische verslagen, logboeken, dagboeken en correspondentie van Europese kooplieden en kolonisten, zijn geschreven vanuit een Europees, meestal mannelijk, welvarend, wit perspectief. Deze Europese kolonisten kenden de culturen die ze tegenkwamen nauwelijks, laat staan dat ze gedragingen en gewoonten in hun juiste context konden beschrijven.

Toch zijn het zulke verslagen waarop veel historici hun historische bevindingen en interpretaties hebben gebaseerd. Daarmee reproduceren en versterken ze wat Graeber en Wengrow als historische mythen bestempelen. In dit opzicht weerklinkt inThe Dawn of Everything Eric Wolfs Europe and the People Without History. Wolf verzette zich tegen de tot dusver algemeen aanvaarde kijk op inheemse volken als primitief door te stellen dat inheemse culturen beschaafde samenlevingen waren lang voordat Europese kolonisten hen ‘ontdekten’.

Graeber & Wengrow duiken hier verder op in en stellen vast dat Europeanen, in plaats van barbaarse culturen te beschaven, juist beschaafde samenlevingen vernietigden. Elke notie van ‘wilden’ is dus eerder op henzelf (de kolonisten) van toepassing. Wanneer de auteurs de mythe van de landbouwrevolutie ontkrachten, doen ze dat door te stellen dat hun alternatieve, correcte lezing van de feiten simpelweg niet paste in de verhalen van de meeste historici. Deze historici houden vast aan het idee dat volkeren evolueerden van jagers en verzamelaars tot landbewerkers in volgens een progressieve tijdlijn. Graeber en Wengrow, aan de andere kant, stellen vast dat landbouw en foerageren elkaar voortdurend afwisselden, afhankelijk van waar men was. Groepen mensen trokken van gebied naar gebied en moesten zich aanpassen aan de natuurlijke hulpbronnen die daar beschikbaar waren. Ook benadrukken de auteurs in het hele boek herhaaldelijk de belangrijke rol van vrouwen bij het optuigen en in stand houden van deze samenlevingen, en ze bekritiseren collega’s die daar in hun werk geen of weinig aandacht aan hebben geschonken.

Het begint bij de frames (en de framers)

Op basis van hun inspanningen om af te rekenen met historische mythes, zou je zeggen dat het primaire doel van de auteurs was om de valse geschiedenissen die ons op school zijn gepresenteerd te corrigeren. Maar hoewel ik heel erg geneigd ben om hun historische verhaal te onderschrijven, is dit volgens mij niet eens hun belangrijkste wapenfeit. Voor mij ligt de grootste verdienste van het boek in het heroverwegen van historische of andere verhalen. De auteurs geven veel voorbeelden van hoe het schrijven van geschiedenis in wezen een menselijke inspanning is, en daarom vatbaar voor fouten en verkeerde interpretaties, evenals cherry picking en gemotiveerd redeneren. Volgens Graeber en Wengrow beschouwen veel historici bijvoorbeeld het Vertoog over de ongelijkheid van Jean-Jacques Rousseau als een klassieke sleutelbron voor het begrijpen van menselijke sociale ontwikkeling. De auteurs doen echter hun uiterste best om erop te wijzen dat dit werk niet alleen inhoudelijk van magere kwaliteit was, maar in de eerste plaats ook niet zo serieus had moeten worden genomen omdat het slechts een (niet eens prijswinnende) inzending was voor een essaywedstrijd. Hiermee bedoelen ze niet dat alle essays op zichzelf onwaardige historische bronnen zijn – dat denk in ieder geval niet. Maar het loont de moeite om stil te staan bij de boodschap die hierin ligt besloten: veel publicaties zijn niet noodzakelijkerwijs goede bronnen, simpelweg omdat ze zijn gepubliceerd en overgeleverd. Uiteraard geldt dit niet alleen voor historische documenten, maar ook – en eens te meer – voor hedendaagse bronnen (of het nu gaat om geschreven teksten, beeld, video of audio) die voortdurend over ons worden uitgestort.

Natuurlijk moeten we er rekening mee houden dat ook Graeber en Wengrow mensen zijn die keuzes hebben gemaakt: in welke bronnen ze hebben geselecteerd (en genegeerd of afgewezen), welke argumenten moeten ze hebben aangevoerd en hoe ze dat zouden doen. Sommige kritische recensenten van het boek hebben Graeber en Wengrow er dan ook van beschuldigd vooral historische documenten en archeologische artefacten te kiezen die bij hun theorie passen, in plaats van hun theorie uit de bronnen af te leiden. Blijkbaar beschouwen zij het feit dat Graeber bekend staat als ideologisch behoorlijk uitgesproken als een reden om zijn argumentatie in twijfel te trekken. Ik ben geen historicus en ook geen archeoloog, dus de discussie over de feiten laat ik over aan de experts. Wel kan ik zeggen dat ik liever werk lees van iemand die transparant is over diens ideologische neigingen dan van iemand die beweert volledig objectief te zijn. Volledige objectiviteit bestaat niet, in ieder geval niet bij mensen.

In die zin zijn het niet zozeer de geïsoleerde feiten die ons zorgen zouden moeten baren wanneer we naar historische verhalen kijken, maar wel het kader waarin ze worden gepresenteerd. Evenals wie dat frame vasthoudt, en in welke richting die ons laat kijken (en in welke niet). Het begin van verhalen zit niet in de feiten, maar in de frames.
Daarom beschouw ik dit boek als verplichte lectuur, niet alleen voor historici, docenten, scholieren en studenten, maar ook voor journalisten (en ach, eigenlijk voor iedereen).

Boekbesprekers besproken

Dan nog een opmerking over de auteurs – en in het verlengde daarvan over het bespreken van boeken:

Zoals ik hierboven vermeldde, is een deel van de kritiek op het boek grotendeels gebaseerd op Graebers eerdere werk. Zowel de argumentatie als de vertelstijl worden grotendeels aan hem toegeschreven, aangezien hij de bekendste van de twee is. Tot mijn schaamte heb ik van geen van beide auteurs eerder iets gelezen, dus ik kan niet zeggen welke delen of keuzes van wie afkomstig zijn. Recensenten die bekend zijn met het werk van Graeber, herkennen duidelijk zijn perspectief en taalgebruik, ook als ze eigenlijk onbekend zijn met hoe Wengrow schrijft. Ze lijken daarmee te suggereren dat Wengrow werkeloos zat toe te kijken terwijl Graeber al het werk deed. Dat is op zijn minst vreemd te noemen, aangezien een aanzienlijk deel van de onderbouwing in het boek is gestoeld op archeologische vondsten en bronnen – wat juist Wengrow’s expertisegebied is.

De vraag is dus in hoeverre de recensenten zich vertrouwd hebben gemaakt met het werk van Wengrow, en in hoeverre we aan hen kunnen toevertrouwen de betrouwbaarheid van de argumentatie te beoordelen. Het is goed mogelijk dat Wengrow en Graeber heel verschillende standpunten hadden voordat ze aan dit boek begonnen, en dat ze zichzelf en elkaar hebben aangemoedigd om eigen eerdere standpunten te heroverwegen. Wat dat betreft waardeer ik wat Lieven de Cauter in zijn recensie schrijft: hoewel hij Graebers stem zegt te herkennen, geeft hij toe niets van Wengrow te hebben gelezen en dat hij daardoor niet weet hij zijn stempel op het boek heeft gedrukt. De Cauter stelt zich wel voor dat de auteurs er duidelijk plezier aan hebben beleefd om hun ontdekkingen te bespreken, die vervolgens samen onder woorden te brengen en ook gezamenlijk hun argument op te bouwen. Daar ben ik het overigens zeer mee eens: het plezier spat van de pagina’s, alleen al omdat de auteurs er niet voor terugdeinzen om her en der de spot te drijven met enkele grote namen zoals Yuval Noah Harari, Jared Diamond en Steven Pinker.

In het eerste hoofdstuk beweren de auteurs dat andere historici het verleden nodeloos saai hebben gemaakt. Zelf hebben zij zeker gezorgd voor een uitermate interessant boek dat ook nog eens zeer prettig is om te lezen. Warm aanbevolen.

★★★★★

#DeZinVanHetBoek

Uit elk boek dat ik lees kies ik de zin die mij het meest trof. In dit boek is dat de volgende:

‘…such distant times can become a vast canvas for the working out of our collective fantasies.’

Zie ook De zin van het boek

Verder lezen

David Graeber and David Wengrow (2021) – The Dawn of Everything. A New History of Humanity. Penguin Random House

David Graeber en David Wengrow (2021) – Het begin van alles. Een nieuwe geschiedenis van de mensheid. Amsterdam: Maven Publishing

Andrew Anthony – ‘I’m certainly open to criticism’: David Wengrow and the trouble with rewriting human history (recensie/interview)

Lieven de Cauter – De veelvormigheid van de politiek in de oertijd (recensie)

Het begin van alles – Boekbespreking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *